Het lijkt zo’n simpele vraag: zet eens wat op papier over orgels van Leichel in Friesland. Maar dé firma Leichel heeft nooit bestaan: er
waren twéé firma’s Leichel en vermoedelijk korte tijd zelfs drie! Om verwarring te voorkomen verdient dit uiteraard een toelichting vooraf,
alvorens in te gaan op hun instrumenten in Fryslân: er was een firma met de naam Leichel in Arnhem, één in Lochem en zelfs wellicht korte
tijd ook één in Winterswijk.
Over de orgelmakers Leichel
Algemeen
De uit Emmerich afkomstige broers, Friedrich Gerhard Leichel (1824 – 1890) en Ehrenfried Leichel (1828 – 1905), hadden in eerste instantie
samen een orgelmakerij in Duisburg. Tot in 1860 wordt in Duitse bronnen dan ook over de ‘Gebrüder Leichel’ gesproken. In 1860 of 1861 besloten
zij hun samenwerkingsverband te verbreken, de reden daarvoor is onduidelijk. Ehrenfried bleef in Duisburg werken, Friedrich vestigde zich in
Düsseldorf. Beide bedrijven leverden in de tijd dat ze nog in Duitsland gevestigd waren al orgels voor Nederlandse kerken. Zoals te verwachten
zijn beide firma’s Leichel in vele bronnen, zelfs al in de 19e eeuw, door elkaar gehaald.
Arnhem
Ehrenfried Leichel kwam als veertienjarige in de orgelbouwterecht en was werkzaam bij een tiental bedrijven. Hij maakte zich ook de pianobouw eigen.
Op aanraden van één van zijn contacten in Nederland, Mr. R.J.C. baron Van Pallandt, ‘heer van Rosendael’, die hem in 1880 een orgel voor de Hervormde
kerk van Rozendaal (Gld) had laten bouwen, besloot hij in 1884 zich in Nederland te vestigen en zich daar uitsluitend op orgelbouw te concentreren.
De firma was een familiebedrijf in de ware zin des woords. Een nazaat vertelde in 1962 dat niet alleen de zoons, maar ook de dochters in het bedrijf
moesten meehelpen. In drukke tijden werd zelfs in de keuken aan onderdelen gewerkt. Ook wist zij te vertellen dat Leichel pogingen had gedaan om een
eigen pijpenmakerij te beginnen, omdat hij van mening was dat je pas een échte orgelmakerij had als je alles zelf maakte, dus ook de pijpen. Nadat
Ehrenfried 1905 in Arnhem overleed, zetten zijn zoons Heinrich (geboren in 1857) en Friedrich Ehrenfried Oskar (geboren in 1870) het bedrijf voort
onder de naam ‘E. Leichel en Zonen’. Heinrich kwam echter al in 1906 om het leven tijdens werkzaamheden aan een orgel te Opheusden. Nog geen twee
jaar later hield het bedrijf, inmiddels ‘Leichel en Co.’ genaamd, op te bestaan. De laatste activiteit die schrijver dezes heeft kunnen achterhalen
dateert uit juni 1908, herstel van het orgel in de Hervormde Kerk van Leur (Gld).
Lochem
In 1860 of 1861 vestigde Friedrich Gerhard zich in Düsseldorf. Vanaf 1861 werkte hij ook in Nederland, eerst samen met de eveneens uit Duitsland afkomstige
Haffmanns (1809-1876), gevestigd in Doetinchem, maar later zelfstandig. In 1885 vestigde hij zich samen met zijn zoons Hermann Friedrich Karl (1859 – 1935)
en Heinrich Friedrich Karl aan de Larense Weg te Lochem. Hermann Friedrich had bij verschillende orgelmakers in Duitsland gewerkt. De bouw van het eerste
pneumatische orgel in Nederland (Rohren-pneumatik), dat van de Hervormde Kerk te Wognum (1892), is een belangrijk ‘wapenfeit’ van de firma. Dit instrument
had zelfs al een generaal crescendo-zweller. Het bescheiden orgel van de Katholieke kerk te Sappemeer (1884) werd al met een vrijstaande speeltafel uitgerust
en werd bovendien opgesteld in twee kassen aan weerszijden van het raam in de toren. Jongepier meldt, dat - nadat Friedrich in 1878 een orgel voor de Hervormde
Kerk van Pingjum leverde - kerkbesturen in Friesland verbaasd waren dat ‘de orgelmaker uit Dusseldorp’ een tweeklaviers orgel met elf stemmen kon leveren voor
het luttele bedrag van fl 1.600,- ! Friedrich Gerhard overleed 1890 in Lochem. Kennelijk heeft hij zijn einde voelen aankomen, want hij liet op 1 februari van
dat jaar zijn testament opmaken. Hierin gaf hij aan dat het zijn “uitdrukkelijke begeerte” was, dat het pand waarin hij woonde en waarin zijn bedrijf gevestigd
was, ‘benevens alle orgels, instrumenten, werktuigen en verdere voorwerpen … tot mijne zaak behoorende’ aan beide zonen zou worden toebedeeld.
Conform lokaal gebruik werden huis en inboedel te koop gezet. Het huis werd als volgt omschreven: ‘een kapitaal goed onderhouden HEERENHUIS met grooten Tuin
benevens eene groote Werkplaats, waarin gedurende eenige jaren met succes een druk beklante Orgelfabriek wordt uitgeoefend’. Op 28 april 1890 werden de
bezittingen van de erflater bij notariële acte beschreven. Daarin is één passage interessant voor de Friese orgelhistorie: ‘[…] ten laste van de Hervormde kerk
te Kooten [lees: Kootstertille] wegens orgelreparatie vijftig gulden’. We komen hier later nog op terug. Van de Lochemse Leichels is uit die periode een waardenvol
‘Copirbuch’ bewaard gebleven, een boek waarin afschriften van al de uitgaande post zijn opgenomen.
Kennelijk zijn er kort na het overlijden van Friedrich in 1890 problemen tussen de broers ontstaan. Was het, zoals wij al aangaven, Friedrich’s wens dat het
bedrijf door Hermann en Heinrich voortgezet zou worden, uiteindelijk ging Hermann alléén met het bedrijf verder. In de talrijke notariële acta, opgemaakt rond
het overlijden van Friedrich, worden steeds de namen van beide broers als orgelfabrikanten vermeld. In een akte eind 1890 wordt Hermann orgelfabrikant genoemd,
terwijl bij Heinrich ‘thans zonder beroep’ staat vermeld. In verdere acta komt Heinrich niet meer voor. Het vertrek van Heinrich had vermoedelijk een financiële
oorzaak. Hermann vroeg in oktober 1890 het kerkbestuur van Twisk om een voorschot omdat hij in financiële problemen was gekomen door het overlijden van zijn vader,
de aankoop van het huis en de werkplaats en de vroege geboorte van een kind. Toch had hij het in die periode kennelijk heel druk, zo meldde hij het kerkbestuur van
Wognum dat hij wegens tijdgebrek een opdracht had moeten weigeren. Een jonge broer van Hermann, Friedrich Wilhelm Hermann (geboren in 1887) werkte onder meer in
Parijs bij Cavaillé-Coll, maar koos uiteindelijk voor een werkkring buiten de orgelbouw. In Hoogkeppel (in 1911) noemde hij zich ‘Harmonist et accordeur chez
Maître Cavaillé-Coll’. Hij vertrok 1913 naar Luzern. Kinderen van Hermann waren maar korte tijd in het bedrijf werkzaam. Geen van hen had kennelijk langdurige
belangstelling voor het vak waardoor het bedrijf met een levensgroot opvolgingsprobleem werd geconfronteerd. Het laatste werk van enig formaat dat ik heb kunnen
vinden, is de restauratie van het orgel van de Hervormde kerk van Markelo in 1926.
In 1970 schreef de toenmalige organist van de kerk van Wognum aan nazaten van de Arnhemse Leichel-tak over een bezoek dat hij in het verleden aan het bedrijf in
Lochem had gebracht: ‘Op een fietstocht + 1920 zijn mijn vrouw en ik in Lochem aangeland en hebben er een bezoek gebracht. De zaak maakte toen geen goede indruk,
er was prachtig materiaal, o.m. een gietbank voor platen om orgelpijpen van te maken, doch alles lag dik onder het stof en werd dus niet meer gebruikt. Hij beperkte
zich dus toen al tot repareren en stemmen. Een harde slag heeft hij gehad toen een van zijn zoons door een infectie is overleden.’ Hermann Friedrich Carl Leichel
overleed 1935 in Lochem. Na zijn overlijden werd het bedrijf geliquideerd. In de periodiek ‘Het Kerkorgel’ van de firma Dekker uit Goes staat hierover het volgende:
‘Kort geleden is de heer Leichel, orgelbouwer van Duitsche afkomst, te Lochem overleden. Een van zijn bekendste werken is het drieklaviers orgel in de Cunerakerk te
Rhenen. Nu werd de inventaris publiek verkocht. Het bleek, dat de heer Leichel vrijwel geen werk meer uitvoerde in de laatste jaren. Een oud orgeltje vond een zeer
moedige kooper voor f 430,- , de geheele ‘inventaris’, voor zoover het onderdeelen betrof, was verouderd en zonder waarde. In groot totaal bracht het misschien f 100,-
op. De timmerlieden uit de omgeving kochten daarna de verouderde machines, en de aanwezige planken … Weer een orgelfirma is verdwenen’. Het woonhuis annex bedrijfspand
aan de Larenseweg is inmiddels verdwenen. Slechts het oude toegangshek is nog aanwezig.
Winterswijk ?
Er is een aanwijzing dat Heinrich’s vertrek uit Lochem wellicht niet geheel vrijwillig is gegaan. Hermann ontdekt namelijk dat Heinrich zich na zijn vertrek uit het
bedrijf op enkele plaatsen (aan de Hervormde kerken van Haaksbergen en Ochten) nog als stemmer van de firma Leichel uitgaf en op die manier klanten en de bijbehorende
revenuen losweekte van het Lochemse bedrijf. Hermann schreef de betreffende kerkbesturen dat Heinrich geen deel meer uit maakte van het bedrijf, verhuisd was en op dat
moment mogelijk in Winterswijk woonde. Of Heinrich gepoogd heeft een eigen bedrijf op te zetten is niet duidelijk. Behalve twee meldingen in het Copirbuch heb ik verder
geen informatie over hem meer gevonden.
Samenwerking ?
Of, en zo ja, op welke wijze er een samenwerkingsverband was tussen Leichel-Arnhem en Leichel-Lochem, heb ik niet kunnen vaststellen. Er zijn mij geen projecten bekend
waarop de bedrijven beide hebben ingeschreven, wellicht waren er toch (stilzwijgende) afspraken. Opvallend in dit verband is, dat een afschrift van het contract van
Leichel-Lochem met het kerkbestuur van Kootstertille zich bevindt bij nazaten van Leichel-Arnhem. Er was evenwel geen sprake van zakelijke animositeit. In een brief aan
de heer C.F. Schraard uit Borculo schrijft Friedrich over de mogelijke reclame die zijn werk aldaar zou kunnen opleveren: ‘zooals U weet is mijn Oom in Arnhem ook een
Leichel en zal natuurlijk daar munt uitslaan en zeggen dat hij het gemaakt heeft’. Opvallend in dit kader is dat het orgel voor Pingjum is gebouwd door Leichel-Arnhem,
maar uiteindelijk werd geplaatst door Leichel-Lochem. Friedrich uit Lochem schreef namelijk aan de kerkvoogd van Schettens: ‘[…] Pingjumer orgel is door ons niet van gronds
op gemaakt, het werd door ons voor de weduwe van mijn Overleden oom geplaatst’. Toch is er sprake van grote overeenkomsten in hun werkwijze. Zo leverde Leichel-Arnhem in
1874 een nieuw orgel aan de kerk van Ellecom. Het daadwerkelijke front was verbreed met twee siervelden, voorzien van een gordijntje. In 1878 breidde Leichel-Lochem het
front van het Meere-orgel van Rheden aan beide zijden uit met vergelijkbare siervelden. Dezelfde velden vinden we ook terug in Hummelo, waar Leichel-Arnhem in 1883 een
bestaande kast verbreedde. Voor zowel de ‘boogjes’ als de kasten zou het natuurlijk ook zo kunnen zijn geweest, dat beide firma’s werkten met dezelfde toeleveringsbedrijven.
De Leichelorgels in Friesland
Op het orgel van Pingjum na - dat zoals al eerder is aangegeven door ‘Arnhem’ werd gebouwd, maar door ‘Lochem’ werd geplaatst - zijn alle overige activiteiten in Friesland
door de Lochemse Leichels uitgevoerd. Op bladzijde 160 en 161 van ‘Vijf eeuwen Friese orgelbouw’wijdt Jan Jongepier een hoofdstuk aan de Leichelorgels in Friesland.
De disposities van de hieronder genoemde instrumenten zijn achterin dat boek te vinden.
De Protestantse Victoriuskerk te Pingjum
Het plaatsje Pingjum ligt in het westen van Friesland, nabij het begin van de Afsluitdijk. Meldde A.J. van der Aa in zijn Aardijkskundig Woordenboek uit 1848 nog dat de
Hervormde kerk het ‘zonder orgel’ moest doen, dertig jaar later, in 1878, plaatste Friedrich Leichel er voor fl 1.600,-- een nieuw orgel. Het werd op 14 april van dat
jaar in gebruik genomen. Van het sierlijke front zijn de buitenste velden loos en gevuld met geschilderde houten pijpen. Of de beelden, drie op de kast en twee op de
notabelenbanken links en rechts onder het orgel origineel zijn, is mij niet duidelijk. De plaatsing van de registertrekkers is bijzonder. Het is gebruikelijk dat de
trekkers voor het hoofdwerk de onderste rij vormen en die van het bovenwerk de bovenste. Hier vormen de registertrekkers van het Hoofdwerk echter de linker kant van
beide rijen, die van het Bovenwerk beide rijen rechts. De firma Bakker & Timmenga herstelde het orgel in 1927, terwijl H. Spanjaard uit Amsterdam dat rond 1948 deed.
De Amsterdamse Spanjaard was in de naoorlogse jaren zeer actief in Friesland. Hij heeft weliswaar het verrassend klassieke klankidioom gerespecteerd, doch met name in
het mechanische deel ingegrepen. Zo zorgde hij ervoor dat de frontprestant pneumatisch werd bediend, evenals de Bourdon 16 vt. Van dit laatste register plaatste hij C-d’
als Subbas 16 vt op een elektro-pneumatische lade tegen de muur achter het orgel. Op het Bovenwerk plaatste hij de Gemshoorn 2 vt op een pneumatische kantsleep.
De windkanalen werden herzien en de orgelkast werd ongeveer een halve meter verdiept. Handklavieren en wellicht ook de orgelbank werden vernieuwd.
De technische staat van het orgel laat momenteel veel te wensen over.
De Protestantse Augustinikerk te Augustinusga
Op 13 augustus 1883 werd het door Leichel gebouwde orgel in gebruik genomen. De kerkvoogden hadden ook offertes gevraagd bij Witte, Van Dam en Meijer, maar
gaven de voorkeur aan Leichel. Het instrument is min of meer een tweelingorgel van dat van Kootstertille, maar heeft één stem minder. In 1908 en 1912 voerden
Bakker & Timmenga herstelwerkzaamheden uit. Bij de aanvang van de kerkrestauratie in 1954 werd het instrument door Vaas & Bron gedemonteerd. Bij de herplaatsing
in 1957 plaatsten zij het orgel verder naar achteren en versoberden zij het front door verwijdering van de vleugels en bekroningen. De verwijderde elementen
bleven gelukkig wel bewaard. De magazijnbalg verdween ten faveure van twee kleinere balgen. In 1968 restaureerde Haarsma het orgel, waarbij met name voor de
windlade moderne materialen en constructies werden toegepast. In 2006 werd het instrument door Bakker & Timmenga in- en uitwendig in de oude staat teruggebracht.
De Protestantse Benedictuskerk in Kootstertille
Het Leichelorgel werd op 17 februari 1884 ingewijd. Het kostte f 2.850,- . Als adviseur trad meester Dijksterhuis uit Augustinusga op. Volgens het op 1 februari 1883
ondertekende contract werd het ‘krachtig doch tevens lieflijk geïntoneerd’. Zoals uit de passage in Friedrich Leichels testament blijkt, was er al snel na oplevering
een probleem rond dit orgel. Uit het Copirbuch blijkt, dat er verschil van mening bestond tussen Leichel en het bestuur van de kerk van Kootstertille over de aanleiding
tot de uitgevoerde reparatie. Het kerkbestuur vond dat de herstelling onder de garantie viel, terwijl Leichel daarentegen van mening was dat de herstelling nodig was
door het verzakken van de orgelgaanderij en de oorzaak hem derhalve niet kon worden aangerekend. In 1974 werd het orgel door Haarsma gerestaureerd, waarbij de
Mixtuursamenstelling werd gewijzigd.
De Protestantse kerk in Arum
Op 12 januari werd het door Leichel gebouwde orgel in gebruik genomen. De keuring werd verricht door de bekende Groninger organist J. Worp. Waar de inwijding van
een nieuw orgel normaal enkel maar blije gezichten oplevert, was dit in Arum niet het geval. In het ‘ ’t Vliegend blaadje’ (een lokale krant uit Den Helder) van
12 december 1885 lezen we het volgende: ‘Eenige tijd geleden had te Arum in Friesland, bij gelegenheid van de inwijding van een nieuw orgel in het Ned. Herv.
kerkgebouw, een schoolfeest plaats.
[…] Nu begonnen evenwel de poppen spoedig te dansen. Een orthodox lidmaat begon te smalen op de toespraak van dominé, die, evenals de meeste lidmaten, liberaal is.
Een twist volgde, die ten laatste in handtastelijkheden overging. Het was een vrij woest tooneel: een paar honderd menschen, mannen en vrouwen, raasden en tierden
door elkander. Eindelijk slaagden dominé en de burgemeester er in, de orde te herstellen […].’ Gelukkig was men over het orgel beter te spreken, getuige de grote
aanbevelingsadvertentie enkele jaren daarna (zie elders in dit artikel). In 1940 werd het orgel gerestaureerd door H.Spanjaard, terwijl A.H. de Graaf in 1966 groot
onderhoud uitvoerde.
Hermann Leichel was in 1890 genoodzaakt het kerkbestuur van Schettens een brief te sturen dat hij ‘door het vele werk wat afgedaan moet worden’ onmogelijk over kon
komen. Deze kerk kreeg in het volgende jaar een Van Oeckelenorgel.
Nieuwehorne, voormalige Hervormde kerk, ca 1905
Van der Aa meldde in 1846 over deze kerk ‘[…] met eenen toren, doch zonder orgel’. Daar kwam rond 1905 verandering in. Leichel plaatste er een nieuw orgel in een
neorenaissance kast. In het kader van de kerkrestauratie midden jaren vijftig werd het instrument in 1956 door Van der Bliek nagezien. Helaas raakte het orgel
luttele jaren later buiten werking en nam een electronische imitatie de taak als begeleidingsinstrument over en werd het Leichelorgel gesloopt.
Waardering van het werk van de Leichels
De firma’s Leichel hebben een indrukwekkend oeuvre tot stand gebracht, toch is daar maar een beperkt deel van over en dat terwijl in de tijd dat hun instrumenten werden
gebouwd deze hogelijk werden gewaardeerd (vgl. de advertentie uit Arum). Zo verdwenen hun grootste orgels: dat van de Hervormde Cunerakerk in Rhenen (1900) raakte zwaar
beschadigd als gevolg van een Engels bombardement in 1945 en werd kort daarop gesloopt; het instrument van de Grote Kerk te Hilversum (1903, doch later gewijzigd) verbrandde
jammerlijk in 1971. In 1944, tijdens de Slag om Arnhem ging het orgel van Oosterbeek (1872) verloren en dat van Laren (1870) liep grote schade op. Andere Leichelorgels
werden domweg gesloopt. Ze werden slachtoffer van de ‘neobarokke tunnelvisie’ in de 2e helft van de 20e eeuw. Soms ook bleven ze deels bewaard: het orgel van bijvoorbeeld
de Hervormde kerk van Hei en Boeikop (1905) werd in 1979 vervangen; alleen de kast werd hergebruikt en omsluit sinds 1980 het Witte-binnenwerk (1872) van het orgel van de
Hervormde kerk van Nederhorst den Berg. Bij het ook uit 1905 daterende orgel van de Remonstrantse kerk van Arnhem ging het precies andersom: kast en mechaniek verdwenen,
een deel van het pijpwerk werd in 1985 hergebruikt ten behoeve van een orgel voor ‘de Hoeksteen’ te Sauwerd (Gr). Qua fronttypes is er, zoals te verwachten in de tweede
helft van de 19e eeuw, sprake van grote verscheidenheid; neogotiek in bijvoorbeeld Bennekom, Barchem en Winschoten en neorenaissance ondermeer in Wognum, Twisk, Nieuwehorne,
Hilversum en Pieterburen.
Door hun deels industriële opzet kunnen de orgels van de Leichels nog maar sinds kort op waardering rekenen. Men heeft hun instrumenten en die van hun tijdgenoten te lang
uitsluitend be- en vervolgens veroordeeld op basis van het gebruik van fabrieksmatig vervaardigde componenten. Zeker de vroeg-industriële orgelbouw was niet slecht. In de
tweede helft van de 19e eeuw en in het begin van de 20e eeuw bestelden meer Nederlandse orgelmakers van naam onderdelen en pijpwerk geheel dan wel gedeeltelijk (bijvoorbeeld
de strijkers of de tongwerken) bij toeleveringsbedrijven in het buitenland.
Het Friese Leichelbezit is relatief goed bewaard gebleven. Hoewel de instrumenten voor Friesland misschien ‘buitenbeentjes’ zijn, vormen ze ook breder gezien waardevolle
specimen uit de overgangsperiode van ambachtelijke naar industriële orgelbouw en zijn ze het waard om gezien, bespeeld en gehoord te worden.
Jaap Brouwer
Bronnen:
Leicheldocumentatie van de auteur.
Jaap Brouwer, ‘De orgelmakers Leichel’, bijdragen in De Orgelvriend, juni, juli-augustus en september 2007.
Jan Jongepier, Vijf eeuwen Friese orgelbouw, Leeuwarden 2004
Mededelingen van Victor Timmer.